|
|
|
door JAN STOOF
ZWARTEWAAL -Machiel van den Berg praat erover alsof het gisteren gebeurde. Het was in de winter van 1927. De hele week hadden ze geen zalm gevangen, hij en zijn vader, op de Maas bij Nieuwesluis. Niemand trouwens van de twintig zalmvissers in het dorpje. Dan komt er storm, uit het oosten. "Vader zegt: 'We vissen vannacht, hoe het ook loopt'. Van 't enkele zeil van rif gingen we weg, en toen kwamen we bij Oostvoorne, de sneeuw duimendik op het oliegoed. Het was bar weer. "Tot voorbij de Jodendam gingen we. Daarachter schuilde~ we wat, zeil weg, koffie zetten en toen vissen. Driemaal gingen we door en geen schub vernomen. Toen begon het te dagen. Vader zegt: 'Laat hem maar zakken, tegen het strand aan, dan zet ik koffie'. Het net stond stil. En toen zwom er een in, vlak achter de kont. "En dan is ineens de kou over." Van den Berg, van 1906 is hij, kijkt me vanachter zijn stevige bolknak tevreden aan. "Achtentwintig pond, die was zestig gul- den waard. Dat was een goeie." Nog drie zalmen Vader en zoon Van den Berg gunnen zich een maaltijd en halen dan, op de vroege zondagochtend, het net binnen en vinden daar nog drie zalmen in. "Toen hadden we er vier. Heel de Nieuwesluis stond op stelten, die zondagochtend. Alle andere vissers stonden met bewondering te kijken: Jan van den Berg had er vier vannacht. 'Ja', zei toen een oude boer, 'maar jullie hebben allemaal geslapen'." |
Uit het AD van Zaterdag 2 Januari 1988
De Heenvliet 2 behoeft natuurlijk ook onderhoud, en als er helemaal niets te doen valt, kan er altijd wel bij een boer gewerkt worden. Van den Berg doet dat al als schooljongen. Koeienwachter is hij dan, met een koppeltje koeien de dijken langs, "vijf gulden in de week en 's avonds brood." |
|
Nog lacht Van den Berg hartelijk. "Zoiets vergeet je nooit." De riviervisserij was aan het begin van deze eeuw een bloeiende bedrijfstak. Steur, elft, houting, spiering, paling en zalm bezorgden menigeen een boterham, hoe karig belegd ook vaak. Zo ook in Nieuwe- sluis, een dorp aan de Brielse Maas. Van den Berg herinnert zich dat er zo'n twintig schepen waren, waarop veertig mensen werkten. Andere vissersplaat- sen in die contreien waren Brielle, Zwàrtewaal, Heenvliet, Hoogvliet en Pernis "Maar ja, dat is allemaal veranderd", aldus Van den Berg "Je ziet geen enkele bekende meer, van Nieuwesluis ben ik geloof ik de enige die nog over is " De Bakkers, de Kerkhovens, de Bravenboeren, de Voogden, als hij er de laatste jaren nog van hoorde, betrof het overlijdensberichten. Als Van den Berg als dertienjarige jongen voor het eerst met zijn vader uitvaart, moet de oude Jan een blok tegen de visbun zetten voor Machiel, omdat hij zich anders niet kan afzetten tijdens het roeien. Met hun schouwt je, een scheepje van een meter of zes, zeven lang, varen ze, roeiend of zeilend, met de vloedstroom, tot aan Puttershoek. Vandaar, tot aan de Maasvlakte, ligt hun werkterrein. De netten gaan uit om de vis te vangen die te- gen de stroom in de rivier op ,zwemt. Klad erin In de jaren twintig al zit er de klad in de natuur, weten de Van den Bergen. "Ik heb in totaal misschien twintig, vijfentwintig elften gevangen, tot ik vijftien was. Toen waren er geen meer", aldus Machiel nu. Een van de redenen is de voortschrijdende kanalisatie van de rivieren. Een andere is, ook toen al, de vervuiling van het water: op een avond in de jaren dertig smaakt de bakvis naar dieselolie. Nieuwesluis is verdwenen. In 1967 worden de laatste resten van het dorpje bedolven onder het zand. Waar het eens was, staan nu olietanks. Hoewel er op 'de Sluis' maar een paar honderd mensen woonden, moeten we ons niet vergissen in de bedrijvigheid die er toen heerste. Uit Brielle kwam enkele malen daags de veerboot die, na Zwartewaal en Nieuwesluis te hebben aangedaan, via de Noordgeul naar Vlaardingen voer. Uit Hellevoetsluis kwam de postboot op Rotterdam, alsmede de melkboten, die naar de Boompjes voeren. Er was ook een veer naar Rozenburg. Daar waren de vissers, en de spieringgroothandel van Van der Giezen, die exporteerde naar Engeland. "De spiering ging met de boot naar Vlaardingen en d~n als de bliksem naar Hoek van Holland. Dan was ze de volgende ochtend in Harwich." Drie cafés telde Nieuwesluis, een paar bakkers, een hoepelmakerij, wat kruideniers, wat boeren, een notaris woonde er ooit, en een dokter. Er was een Evangelisatiegebouwen aan de dijk naar Heenvliet stond een lagere school. Een heel dorpje, toch nog, en dan vergeten we nog bijna de beurtschippers en andere binnenvaart. Naar Rotterdam De zalm die de vissers van- gen, gaat naar Kralingsche Veer, waar een afslag is. In een bun gaat de vis scheep, ,met de boot naar Rotterdam. Van den Berg brengt ook 'Zelf wel eens vis naar de afslag: "Ik weet nog wel dat ik eens als jongen van een jaar of zeventien met twee zalmen op weg ging, en dat ik dan op de Leeuwenbrug haast niet kon oversteken, zo druk als het was." In de goede jaren, in het begin van de eeuw, werden in Kralingen wel vier tot vijfhonderd zalmen per dag aangevoerd. Al naar gelang het seizoen natuurlijk. En niet alleen in Kralingsche Veer, maar ook in Gorinchem, Ammerstol, Woudrichem, Hardinxveld en Dordrecht. "Dertig, veertig gulden bracht een zalm op", herinnert Van den Berg zich. "We had- den een huis van een daalder en moeder gaf niet veel uit, dus daar kon je een end mee komen." Het gaat ook wel eens min- der. Als het langdurig vriest, bijvoorbeeld. "Ik zal een jaar of veertien geweest zijn, toen moeder mij en mijn zusje van twaalf naar Heenvliet stuurde, met een brief voor het Armbestuur. We kwamen bij de armenmeester en kregen eerst allebei een goudrenet. Toen pakte hij allerlei etenswaar in, meel, en nog zo wat. En we kregen een rijksdaalder mee. "In de zomer kreeg vader een brief. Of hij nu alles wel wilde betalen. Hij zei: 'Ze zoeken het maar uit, d'r zijn er genoeg die het hele jaar van de armen trekken en waar ze ook nooit wat van terugzien'. We hebben er nooit meer van gehoord." In de winter worden er netten en fuiken gebreid. "Dat was eigenlijk nog gezellig ook, zo samen aan tafel, ik netten breien en de vrouw kousen."
|
De Boer op Van onderwijs komt niet veel. "Dan kwam er een boer bij de schoolmeester en die zei: 'Ik heb tien jongens nodig om bieten te,dunnen, een dubbeltje het uur'. En dan ging je, van 's ochtends vijf tot 's avonds vijf. Soms was je tien, twaalf weken van school. De kinderen van de dokter of de notaris hoefden natuurlijk nooit, die hielden ze bij. Wij bleven zitten. Toen ik mijn getuigschrift kreeg had ik vier klassen doorlopen:' Als kind gaat Van den Berg met zijn vader en een kruiwa- gen spiering de boer op; voor een cent per stuk worden ze verkocht. "Ik ben eens met va- der mee geweest naar Zuid- land, met vierduizend spierin- gen in bakjes op de kruiwagen. Sommige boeren kochten er wel driehonderd, die ze dan bakten en met het hele gezin en het personeel opaten. ..We kwamen toen op de Hooidijk, waar al die arbei- dershuisjes stonden. Vader zegt: 'Laten we hier maar gauw doorlopen: Daar stonden de vrouwen te huilen in de deuropening. Die hadden geen cent om ook maar één spiering te kunnen kopen. Harde erre- moe was dat." Op Nieuwesluis is er voor de vissers geen vermaak. "Die ca- fés, dat '; waren herencafés, daar kwamen wij niet. Wij gin- gen naar Heenvliet, waar in de Hoekzak een biljart stond. En je zat op de voetbal en de zang. Dat was je vertier." Prachtboot En dan de anekdotes. Zoals die van de Brielse weeshuisvader die in Nieuwesluis een kruidenierswinkeltje begint. De eerste zondag gaat hij ter kerke, in het Evangelisatiege- bouw. Daarna wekenlang niet. Daar meldt zich de voorgan- ger, "met een hoge hoed zo groot als een spekkuip", volgens Van den Berg. "Ik heb u z~s weken niet in de kerk ge- zien", spreekt de voorganger lot de kruidenier. "Dat klopt", zegt de kruidenier, "maar u bent ook in die zes weken niet in de winkel geweest," Of het niet levensgevaarlijk is, met zo'n houten zalm- schouwt je het water op, richting Noordzee? Van den Berg, die nog steeds een boot heeft om een tiental palingfuiken te onderhouden, vindt dat het wel meeviel: "We hadden een prachtige boot, kostte toen vierhonderd gulden. Een waakzaam schip was dat, daar kon je niks mee gebeuren." Waakzaam betekent dat het schip moeiteloos de golven be- klom. "Het enige water dat je binnenkreeg was buiswater," .Geen wonder dus dat de Van der" Bergens zich, ook bij slecht weer, rustig te slapen legden in het voorschip, de buiskap boven zich, een kolen- kacheltje brandend tussen zich in. Echte rampen weet Van den Berg zich niet te herinneren. Hij IS één keer bang geweest, toen ze op de Waterweg gingen vissen, op een nacht. "Dan kwamen die grote boten langs je heen, helemaal zwart en metershoog, en wij hadden alleen maar een lampje achterop. God, wat was ik toen bang," De zalm die Van den Berg in de winter van '27 vangt, blijkt achteraf de laatste te zijn Daarna moet het brood verdiend worden met spiering, of paling en bot In 1928 doet de eerste buitenboordmotor zijn intrede "Dat heeft moeder nog meegemaakt" De Maas verzandt allengs en wordt in 1950 afgesloten. Dan rest voornamelijk nog 1e paling. De Heenvliet 2 Nordt verkocht, "voor kachel- 110ut, dat was wel wat, we hadden er toch een goeie vijfenwintig jaar op gevaren." En dan komen de plannen voor het Botlekgebied, en de Europoort. Ook daar vindt Van den Berg nog werk in, klusjes doen in de jachthaven die Shell aanlegt bij Nieuwesluis, beschoeiingen en steigers aanleggen en altijd maar -vissen.
Niets verdiend
"Overdag ging je ergens werken, en dan 's nachts je fui- ken langs." Hij doet het nu, eenentachtig jaar oud, nog steeds, maar heeft nu te kla- gen: "Van 't jaar heb ik geen cent verdiend met de paling, niks van waarde gevangen." Gelukkig is er de AOW. "Daar heb ik al heel wat meer van gekregen dan ik er aan be- taald heb." Het stulpje in Nieu- wesluis is al lang vervangen door een mooie koopwoning in de Zwartewaalse nieuwbouw en er is geld genoeg voor een goede sigaar en een borrel. Pas heeft hij Stellendam be- zocht, de Goeree 33. Daar heeft hij op het radarscherm mogen kijken. "Daar word je haast geen wijs uit. Ze hebben ook apparaten waar ze de vis mee opzoeken. Ik zeg tegen mijn vrouw: 'Goh, als wij dat inder- tijd allemaal gehad hadden, dan waren we rijk geweest.' "Maar ja, we binnen d'r zo ook deurgekomme, en we leven nog." En de zalm? Niet zonder meewarige glimlach volgt Van den Berg minister Smit-Kroes, die immers heeft gezegd dat er in het jaar tweeduizend weer zalm zal zwemmen in de rivie- ren. "Dat zal ik wel niet meer meemaken", zegt de 8I-jarige, "maar zij ook niet, denk ik."
|
|
|
|